|

| |
De rasstandaard
van de ´Bouvier des Flandres´
Rasstandaard
NF.C.I- Standaard Nr 191 / 22.06.2001/ Nederlands
Vlaamse Koehond (Bouvier des Flandres)
Nederlandse tekst: Dr. R. Pollet
Land van herkomst : België - Frankrijk
Publicatiedatum van Geldige originele standaard : 25.10.2000
Gebruik :
Oorspronkelijk werd de Vlaamse Koehond gebruikt als kuddedrijver, als trekhond
en als Karnhond. De modernisering van de uitrusting van de boerderijen heeft het
aanvankelijk gebruik van de Vlaamse koehond gewijzigd en vandaag is hij vooral
een bewaker van eigendommen en hofsteden, een verdedigings en een politiehond.
Door zijn lichamelijke aanleg, geschikt gedrag en uitnemende kwaliteiten op
gebied van reukzin, initiatief en intelligentie, kan hij ingezet worden als
speur en verbindingshond en tegen wildstroperij.
Groepsindeling F.C.I :
Groep 1 : Herders en Veedrijvers ( uitgenomen Zwitserse veedrijvershonden).
Sectie 2 : Veedrijvershonden (uitgenomen Zwitserse veedrijvershonden). Met
werkproef.
Korte geschiedenis van het ras
De vlaamse Koehond is, zoals blijkt uit zijn naam, afkomstig uit Vlaanderen,
zowel Belgisch als Frans Vlaanderen, twee landstreken die door geen enkele
natuurlijke grens worden gescheiden.
De Vlaanderse koeien of veedrijvers, die goede honden nodig hadden om hun kudden
te drijven, selecteerden de honden waarover ze in hun streek beschikten enkel en
alleen op hun gedrags en hun lichamelijke kwaliteiten, die onze huidige Vlaamse
Koehond van hen hebben geërfd.
Algemene voorkomen:
Subkortlijnig. Het lichaam kort en gedrongen, de ledematen sterk en goed
gespierd. De Vlaamse Koehond maakt een indruk van kracht, maar zonder plompheid.
De Vlaamse Koehond zal in stand in zijn natuurlijke houding gekeurd worden,
zonder fysiek contact met de voorbrenger.
Belangrijke verhoudingen:
* De lichaamslengte, vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt, moet ongeveer
gelijk zijn aan de schofhoogte
* De verhouding schedellengte tot snuitlengte bedraagt ongeveer 3 tot 2
Gedrag / Karakter :
De Vlaamse koehond heeft het kalme en bezonnen karakter van een wijze durver.
Zijn vurige blik getuigt van intelligentie, energie en onverschrokkenheid. De
Vlaamse Koehond moet zijn geschiktheid als werkhond absoluut behouden. Alles wat
hieraan afbreuk doet moet bestraft worden.
Hoofd:
Heeft een massief voorkomen, wat nog wordt versterkt door de baard en de snor.
Het staat in juiste verhouding tot het lichaam en de schofthoogte. Het blijkt
bij betasting goed gebeiteld te zijn.
Schedelgedeelte :
goed ontwikkeld en vlak, iets minder breed dan lang. De bovenlijnen van de
schedel en de snuit zijn evenwijdig. De voorhoofdsgroeve is nauwelijks
gemarkeerd.
Stop:
weinig afgetekend, door de opstaande wenkbrauwen duidelijker zichtbaar, wat meer
schijn is dan werkelijkheid.
Snuitgedeelte :
Neus: vormt het einde van de snuit in een licht convex uitlopende belijning.. De
neus moet goed ontwikkeld zijn, de randen afgerond, de kleur altijd zwart. De
neusgaten zijn goed geopend.
Snuit : Breed, krachtig, benig, het bovenprofiel rechtlijnig, naar de neus toe
versmallend, maar nooit puntig. De lengte moet korter zijn dan die van de
schedel, in een verhouding van twee tot drie. De omtrek, juist onder de ogen
gemeten, is ongeveer gelijk aan de hoofdlengte.
Lippen : goed aangesloten en sterk gepigmenteerd.
Kaken en tanden : de kaken moeten krachtig zijn en even lang. De tanden zijn
sterk, gezond, wit en regelmatig ingeplant. Schaargebit of tanggebit. Het gebit
moet volledig zijn.
Wangen : vlak en droog, de jukbeenuitsteeksels weinig uitkomend.
Ogen : Frank en energiek van uitdrukking, noch uitpuilend, noch in de oogkassen
verzonken. De vorm is licht ovaal en horizontaalgericht. De kleur moet zo donker
mogelijk zijn ten opzichte van de vachtkleur. Lichte ogen en ook verwilderde
blik moeten streng bestraft worden. De oogleden zijn zwart, zonder sporen van
pigmentverlies. De bindvliezen mogen nooit zichtbaar zijn.
Oren driehoekig gecoupeerd : goed recht opstaand gedragen, hoog aangezet en zeer
beweeglijk; een snit in verhouding tot de omvang van het hoofd wordt aanbevolen.
Niet gecoupeerde oren:
Plaatsing : hoog aangezet, boven de ooglijn, de oorschelpen verticaal
neerhangend. De klapvouw mag niet hoger komen dan het schedeldak.
Vorm en dracht : Halflang, in de vorm van een gelijkzijdige driehoek, licht
afgerond aan de punten, vlak tegen de wangen vallend, behalve de lichte
verheffing boven de ooraanzet; niet geplooid of gedraaid; in verhouding tot de
grootte van het hoofd: met glad haar bedekt.
Hals : moet goed uitkomen en voldoende opgericht zijn , Sterk , gespierd, naar
de schouders toe geleidelijk verbredend, de lengte iets minder dan de
hoofdlengte. Forse en licht gewelfde nek . Geen keelhuid.
Romp: Krachtig, gedrongen en kort. Bovenbelijning : bovenlijn van rug en
lendenen horizontaal, strak en stevig.
Schoft : Licht uitkomend
Rug : kort, breed, gespierd; moet buigzaam zijn, zonder schijn van zwakte.
Kruis : moet zoveel mogelijk de horizontale ruglijn voortzetten en onmerkbaar
overgaan in de ronding van de dijen. Breed zonder overdrijving bij de reu, meer
ontwikkelt bij de teef. Een afvallend of afgeslagen kruis is een zware fout.
Borst : breed en goed diep tot aan de ellebogen; mag niet cilindrisch zijn . De
eerste ribben zijn licht gewelfd de andere gerond en sterk naar achteren
hellend, waardoor de gewenste borstlengte wordt verkregen. Vlakke ribben worden
zwaar bestraft. De afstand tussen het voorste gedeelte van het borstbeen (
handvat) en de laatste en de laatste rib moet groot zijn, ongeveer 7/10 van de
schofthoogte.
Onderbelijning : stijgt vanaf de onderborst zeer licht naar de buik toe, die
weinig opgetrokken is. De flanken moeten kort zijn, vooral bij de reu.
Staart : de relatief hoog aangezette staart bevindt zich in het verlengde van de
ruggengraat. Sommige honden worden staartloos geboren en mogen hierom niet
bestraft worden. De staart moet gecoupeerd worden binnen de week na de geboorte,
waarbij twee of drie staartwervels behouden blijven. Een natuurlijke of gave
staart is toegelaten in landen waar caudectomie (couperen) verboden is . In
Nederland is het ook verboden sinds 1 september 2001.
Ledematen :
Voorste ledenmaten :
Totaalbeeld : de voorste ledematen zijn zwaar van bot en goed gespierd. Ze zijn
volkomen recht en van voren gezien evenwijdig.
Schouders : betrekkelijk lang, gespierd, niet overladen en matig schuin. Het
opperarmbeen en het schouderblad zijn ongeveer even lang.
Opperarmen : matig schuin.
Ellebogen : goed tegen het lichaam en parallel; uitdraaiende of aangedrukte
ellebogen, zowel in natuurlijke stand als in actie, zijn fouten
Onderarmen : moeten zowel van opzij als van voren gezien volkomen recht zijn,
evenwijdig met elkaar en loodrecht op de grond. Ze zijn goed gespierd en sterk
van bot.
Polsen : volkomen in het verlengde van de onderarmen. Enkel het haakbeentje
achteraan de pols (carpus) steekt uit. Sterk bot
Voormiddenvoeten : sterk van bot, tamelijk kort, zeer weinig naar voren hellend.
Voorvoeten : kort, rond en compact, noch naar binnen, noch naar buiten gericht.
De tenen moeten goed gesloten zijn en gewelfd, de nagels sterk en zwart. De
voetzolen zijn dik en hard,
Achterste ledematen :
Totaalbeeld : krachtig, met uitgesproken bespiering, goed loodrecht en van
achteren gezien volkomen parallel. Moeten duidelijk in dezelfde vlakken bewegen
als de voorste ledematen.
Dijen : breed, goed gespierd, in evenwijdige richting met het mediaanvlak van
het lichaam. Het dijbeen noch te recht, noch te schuin. Het achterdeel goed
laag, gevleesd en stevig.
Knie : bevind zich duidelijk op een denkbeeldige lijn vanuit het hoogste punt
van de heupen( darmbeenkam)loodrecht op de grond.
Onderschenkels : matig lang, goed gespierd, niet te recht, noch te hellend.
Sprongen : eerder laag bij de grond, breed, goed strak. In stand, van achteren
gezien, recht en volkomen evenwijdig. In actie mogen ze noch naar binnen, noch
naar buiten afwijken van de as van de ledematen.
Achtermiddenvoeten : robuust en droog, eerder cilindrisch, loodrecht op de grond
in natuurlijke stand. Zonder wolfsklauwen Achtervoeten : rond, stevig, de tenen
goed gesloten en gewelfd, met sterke en zwarte nagels. De voetzolen dik en hard.
Gangwerk : De Vlaamse koehond moet in zijn geheel harmonisch geproportioneerd
zij, teneinde een vrij, ongedwongen en fier gangwerk mogelijk te maken. De stap
en de draf zijn de gewone gangen, alhoewel er eveneens telgangers te zien zijn.
Bij de gewone draf stapt de Vlaamse koehond in ( de afdrukken van de
achtervoeten komen precies in die van de voorvoeten van dezelfde zijde)
Huid : vast aansluitend, zonder overdreven losheid. De randen van de lippen en
de oogleden altijd zeer donker.
Vacht : Vachtsoort : zeer overvloedige vacht. Het dekhaar vormt met het lichte
onderhaar een beschuttende bekleding die perfect is aangepast aan de aan de
plotse klimaatwisselingen van de streek van herkomst van het ras. Het haar moet
ruw aanvoelen. Droog en mat zijn, niet te lang of te kort (ongeveer 6 cm), licht
warrelig, maar nooit wollig of gekruld. Het haar is korter op het hoofd en
nagenoeg glad aan de buitenkant van de oren, waarvan de binnenzijde van de
schelpen door matig lang haar is beschermd. De bovenlip moet een snor hebben en
de kin bedekt zijn met een goed gevulde baard, wat aan het ras de zo kenmerkende
stuurse uitdrukking verleent, De wenkbrauwen bestaan uit rechtopstaande haren,
die de vorm van de wenkbrauwen accentueren, maar nooit de ogen verbergen.
Bovenop de rug is het haar bijzonder hard en krassend. Het wordt iets korter op
de ledematen maar blijft wel ruig. Vlak aanliggende haar moet vermeden worden,
daar dit wijst op een gebrek aan onderhaar. Het onderhaar is onderwol, die
bestaat uit fijne en dichte haren die onder het dekhaar groeien en samen met het
dekhaar een ondoordringbare bekleding vormen.
Vachtkleur : De vacht van de Vlaamse koehond is over het algemeen grijs,
gestroomd of zwartgevlamd (charbonne). Een volledig zwarte vacht is ook
toegelaten, maar mag niet de voorkeur krijgen. De licht gekleurde, zogenoemde
uitgewassen vachten, zijn niet toegelaten. Een witte ster op de voorborst wordt
getolereerd.
Grootte en Gewicht : Schofthoogte: reuen 62-68 cm, teven 59-65 cm. Tolerantie :
1 cm naar beneden of boven. Voor beide geslachten is de ideale schofthoogte het
gemiddelde van deze twee grensmaten, d.w.z. 65 cm bij de reuen en 62 cm bij de
teven. Gewicht :reuen 35 - 40 kg, teven 27 -35 kg
Fouten : elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd
worden, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan
Zware fouten :
· Angstige hond
· Molossoïde uiterlijk, te zware hond
· Lichaam duidelijk te lang (lichte tolerantie voor teven) , te licht
· Hoofd te massief, afgetekende stop, gemarkeerde voorhoofdsgroeve, sterk
uitkomende jukbeenuitsteeksels
· Gewelfde schedel, smalle schedel, sterk uitstekende achterhoofdskam, duidelijk
ontbreken van parallellisme schedel/neusrug
· Te lange voorsnuit, geknepen neus
· Lippen slap, dik en overhangend
· Kruisgebit, abnormale occulsie (beet)
· Kleine of ongezonde tanden, onregelmatig geplaatst
· Lichte of bolronde ogen; atypische blik
· Gedraaide of geplooide gave oren
· Hals cilindrisch, met keelhuid
· Sterke zadelrug, sterk gewelfde rug
· Duidelijk foutieve standen, zeer gestrekte stand, sterk gehoekte sprongen
· Zijdeachtig haar, geen onderhaar; vacht opgezet, glanzend of opgemaakt
· Geen hoofdgarnituur
· Algemene depigmentatie ( neus, lippen, oogleden)
Eliminerende Fouten:
· Bange of gevaarlijke agressieve hond
· Duidelijk gebrek aan rastype
· Neus gedepigmenteerd of anders kleurig dan zwart
· Puntige snuit
· Uitgesproken boven of onderbeet
· Ontbreken van tanden, behalve 1 P1
· Entropion, ectropion, roze oogleden
· Vachtkleur; chocoladebruin, wit; uitgewassen kleur; iedere andere blonde
kleur, gaande van licht naar ros, zelfs zwart-gevlamd
· Schofthoogte buiten de opgelegde grenzen van de standaard
Opmerking :
in door de FCI officieel goedgekeurde Franse tekst werd als eliminerende fout
ook de kleur "poivre et sel' (peper en zout) vermeld. Om evidente redenen werd
dit in de Nederlandse tekst weggelaten.
N.B :
De reuen moeten twee normale testikels hebben die volledig in het scrotum zijn
ingedaald.
|